Productie van akoestisch schuimstof – eenvoudig uitgelegd

Informatie over de productie van akoestisch schuimstof

Al in 1937 realiseerde prof. dr. Otto Bayer een doorbraak bij de productie van akoestisch schuimstof. Toen lukte het prof. dr. Bayer in laboratoriumomstandigheden in de verffabriek van Bayer in Leverkusen (D),om door het polyadditie van di-isocyanaat en polyol de kunststof polyurethaan te maken.

Voortbordurend op de onderzoekswerkzaamheden werd bij onderzoeksprojecten met behulp van het polyadditieproces in 1940 het eerste polyurethaanschuimstof op esterbasis (polyesterschuim) gemaakt en 1951 het eerste polyurethaanschuimstof op etherbasis (polyetherschuim).

De bouw van zogenaamde schuimmachines in het midden van de jaren 50 zorgde voor een snelle groei van de schuimstof- en de schuimstofverwerkende industrie.

De productie van de kunststof polyurethaan door de polyadditiereactie is en blijft de chemische basis voor de productie van akoestisch schuim. De verschillende stoffen die ontstaan uit de chemische processen bij winning van aardolie, nl. di-isocyanaat en polyol, vormen samen met andere hulpmaterialen als water, celstabilisatoren, katalysatoren, kleurstoffen en speciale chemicaliën de basis en het schuimmiddel.

Met behulp van koolstofdioxide vindt dan in een complex proces de schuiming plaats.

Polyurthaanschuimstoffen bestaan in schijnbare dichtheden tussen 15 tot 800 kg/m³. Omdat deze familie kunststoffen in het macrobereik een zeer poreuze, exact gedefinieerde poriënstructuur heeft, zijn deze schuimstoffen zeer efficiënte geluidsabsorbers voor de meest uiteenlopende doeleinden. De zog. poreuze absorbers worden in heel veel technische toepassingen gebruikt als geluiddemping of geluidsisolatie. Maar ook bij ruimteakoestiek als het gaat om geluidsisolatie, thermische isolatie en als verregaande bescherming tegen trillingen en vibraties als absorptie van contactgeluid.